The dark side of the moon

Naar de eclips

Al een jaar of daaromtrent leef ik toe naar de totale zonsverduistering van 11 augustus 1999. Ik ben al die tijd vastbesloten me op het bewuste moment in de totaliteitszone te bevinden, in Noord-Frankrijk of Midden-Duitsland. In februari 1999 worden de plannen concreter. Frans, reissiteschrijver uit Leiden, voelt er wel voor om met mij op eclipsjacht te gaan, en we komen overeen om de verduistering samen in Saarbrücken te gaan beleven. Dat ligt vrijwel in het midden van het eclipspad. Aanvankelijk heb ik het wilde plan om er de nacht voor de eclips met de nachttrein heen te reizen en de nacht erna met de nachttrein weer terug, maar Frans weet mij gelukkig van dit idiote voornemen af te brengen. Na wat brainstormen komen we tot een plan voor een vierdaagse reis, van dinsdag 10 t/m vrijdag 13 augustus. Dinsdag de tiende zullen we naar Trier gaan, waar we voor twee nachten een hotel zullen boeken. De elfde gaan we dan per trein op en neer naar Saarbrücken (reistijd Trier-Saarbrücken: ongeveer een uur), de twaalfde gaan we naar Wuppertal om daar de zweeftram uit te proberen, blijven daar ook nog een nacht in een hotel, en de dertiende gaan we 's avonds weer op huis aan. (Frans merkt terecht op dat bijgelovigheid niet tot onze tekortkomingen kan worden gerekend: we gaan op vrijdag de dertiende met die zweeftram, waarmee nog niet zo lang geleden een ernstig ongeluk is gebeurd.) Als ik de hotels eind februari per fax heb gereserveerd, heb ik een goed gevoel. Dit gaat leuk worden!

Eclipskoorts

Als de datum van de zonsverduistering nadert, krijgt de eclipskoorts me aardig te pakken. De twee nachten voor mijn vertrek doe ik nauwelijks een oog dicht. Voortdurend zie ik de aarde om de zon draaien en de maan om de aarde; ik word er lunatic van.

Dinsdag de tiende vertrek ik voor dag en dauw. Om kwart voor zeven stap ik op station Zuidhorn in de trein, het begin van een treinreis van bijna acht uur en met vier overstappen. In Arnhem tref ik Frans, die op een iets minder onchristelijk tijdstip uit Leiden is vertrokken. Na een voorspoedig verlopen reis staan we om halfdrie ietwat daas in Trier op het perron. Ondanks het feit dat ons hotel zich pal tegenover het hoofdstation bevindt, lopen we tien minuten zoekend rond voor we het vinden, op een steenworp afstand van de stationsingang.

Na ons even te hebben opgefrist begeven we ons onmiddellijk naar het centrum van Trier om aan de bezienswaardigheden te beginnen: de Porta Nigra, de Kaiserthermen, het Amphitheater, het paleis van de keurvorst. We zullen er na de verduistering mee doorgaan.

Sombere voorgevoelens in Trier

11 augustus, de dag van de zonsverduistering. Ik schrik om kwart over zeven wakker van de geluiden buiten en zie onmiddellijk aan het licht in mijn kamer dat het foute boel is. Het is bewolkt en somber, de geluiden van het stationsplein van Trier lijken vervormd en ik hoor er een honende bijklank in: wat kom jij hier in vredesnaam doen? zeggen ze. Ik word bevangen door neerslachtigheid, en vervolgens maak ik me eventjes geweldig vrolijk over mezelf. Ik zit me te sappel te maken over iets waar helemaal niets aan te doen is! Ik moet het nemen zoals het komt! En daarbij: het duurt nog vijf uur, er kan nog van alles gebeuren, en het is honderd kilometer hiervandaan... Er valt geen zinnig woord over te zeggen.

Ik loop de gang op om op Frans' deur te kloppen, maar ook hij is al wakker. Terug op mijn kamer doe ik de spullen die ik vandaag nodig heb in mijn schoudertas: eclipsbrilletje, pen en papier, mobiele telefoon, blikjes fris, documentatie over de eclips. Om vijf voor acht ga ik naar beneden voor het ontbijt. We vermijden angstvallig de onderwerpen 'eclips' en 'weersomstandigheden'.

Tegen halfnegen lopen we de paar meter naar het station, vanwaar de sneltrein naar Saarbrücken om 8.43 zal vertrekken. Ik ben zenuwachtig, alsof ik examen moet doen. Op het station is het druk, het hele perron staat vol mensen. Iedereen wil met deze trein mee. Wij hebben plaatsen gereserveerd, wat al spoedig een verstandige beslissing blijkt te zijn geweest. De trein zit mudjevol, veel mensen moeten staan in de gangpaden. Ik zie veel eclipsbrilletjes om me heen. Buiten zit de lucht nog steeds pot- en potdicht. 'Bewolkingsfactor 8,' zegt Frans. Dit blijkt bij navraag het maximum te zijn, want iedere punt van de schaal staat voor 1/8 deel van de hemel dat bedekt is. Bewolkingsfactor 8 is dus wat 12 beaufort voor de wind is: erger kan het niet.

In de totaliteitszone

We worden exact op tijd afgeleverd in Saarbrücken. Driekwart van de reizigers stapt hier uit. Te midden van een meute uitgelaten eclipstoeristen lopen we het stationsplein over. We beginnen met een korte rondwandeling langs de paar bezienswaardigheden in Saarbrücken die we het Internet hebben weten te ontfutselen: de Richard Wentzelplatz (blijkt een saai marktplein te zijn), de alte Brücke en het Schloss (in de nieuwe Duitse spelling niet meer met een ß). Ik heb mijn hoofd er maar half bij; steeds flitst het door mijn hoofd dat ik nu vrijwel precies in het midden van de totaliteitszone ben. Ik krijg weer mijn examengevoel: ik heb alles gedaan wat ik kon, maar nu moet het alleen nog wel even goed aflopen!


'Waiting for the sun' in Saarbrücken

Op de muur rond het Schloss heeft de Duitse tv een reportageploeg opgesteld. Vele belangstellenden hebben zich hier verzameld, waaronder sommigen met joekels van telelenzen. Op een terrasje een eindje verderop bestellen we koffie en broodjes, maar het duurt twee kort en twee lang. Voor tientallen gasten is er maar één ober, die zich de benen uit het lijf moet lopen; kennelijk is hier niet op de zonsverduistering gerekend, terwijl toch al honderden jaren bekend is dat die vandaag zal komen. Het duurt ons te lang, en als de koffie komt, bestellen we de broodjes weer af (waardoor de ober nog een graadje chagrijniger wordt), en we betalen 'gelijk'.

We lopen terug richting centrum om de sneltram naar het zuiden te nemen. Deze bijzondere tram is in de stad een gewone tram en in de voorsteden een sneltram die een forse snelheid ontwikkelt; hij heeft zijn eindhalte in het Franse plaatsje Sarreguemines -- een grensoverschrijdende tram dus. We kopen een dagkaart waarop we met zijn tweeën de hele dag onbeperkt heen en weer mogen rijden op deze tramlijn, en die zal ons nog goed van pas komen.


In de sneltram, met de regenjas aan

We rijden een stuk zuidwaarts en stappen uit in Brebach. We proberen zo precies mogelijk in het midden van de totaliteitszone te zitten, en we hopen buiten de stad ook beter zicht te hebben op de westelijke hemel. We worden aangesproken door een Duitser, die het ergste doet wat je mensen kunt aandoen: ongevraagd goede raad geven. Hij weet wel mooie waarnemingsplekjes voor de eclips. Nadat we hem beleefd glimlachend in het Engels hebben afgewimpeld (Engels doet altijd wonderen bij Duitsers), kunnen we ons weer wijden aan waar we eigenlijk voor gekomen zijn: ons beraden waar we precies naartoe zullen gaan. Af en toe lijkt het iets lichter te worden. De lucht blijft echter zwaar bewolkt, dus we besluiten nog iets verder naar het zuiden te gaan. Achter het wolkendek moet de verduistering inmiddels zijn begonnen, want het is over elven, maar we zien geen bal, laat staan een bal waar een hap uit is.

De zon schijnt!

Tussen de haltes Bübingen en Kleinblittersdorf schijnt ineens de zon. Wat?! Is het echt waar?! Verheugd springen we uit de tram, rukken de eclipsbrilletjes uit onze tassen en richten onze blik omhoog. Ja hoor, waarachtig: de maan zit al een klein stukje voor de zon. 'O, wat schitterend!' roep ik spontaan uit.

We zijn niet de enigen hier. Er staat een hele groep maanschaduwjagers omhoog te kijken en uitroepen te slaken. Ook wij zijn er helemaal opgewonden van. De nachtmerrie van iedere eclipsjager, een eclips die zich geheel achter de wolken voltrekt, is ons in ieder geval bespaard gebleven. We hebben niet helemaal voor niets 700 kilometer afgelegd. Minutenlang blijven we stil staan kijken naar het ons voorzegde wonder, dat zich nu echt voltrekt. Langzaam maar zeker verschijnt een steeds groter deel van de maan, van de zonneschijf blijft steeds minder over. Dan betrekt de lucht weer.

We staan erbij alsof we bestellt und nicht abgeholt zijn, zoals de Duitsers dat zo treffend uitdrukken. Besluiteloos kijken we om ons heen, en dan hakken we de knoop door. In de richting van de stad ziet de lucht er het blauwst uit, dus we gaan een stukje terug met de tram. Dankbaar dat we die dagkaart op zak hebben springen we in de gereedstaande tram richting Cottbuser Platz.

In Bübingen

Eén halte verderop, in Bübingen, staat de zon aan de hemel te stralen alsof ze nooit iets anders gedaan heeft. De maan zit er nu al voor meer dan de helft overheen, maar je kunt nog niet echt zien dat het donkerder is. We wandelen Bübingen in, een schilderachtig, vreedzaam dorpje, en kijken af en toe omhoog. Op een straathoek staan we ineens sprakeloos stil: door de bladeren van een struik valt het licht van de gedeeltelijk verduisterde zon op de grond, en we zien talloze omgekeerde afbeeldinkjes van de halvemaanvormige zon op het plaveisel: het in de boekjes beschreven camera-obscura-effect! Frans neemt er bliksemsnel een foto van. Zo, dat kan niemand ons meer afnemen. Even later zien we duidelijk dat onze schaduwen op straat onscherp beginnen te worden. Alles is precies zoals het in de boekjes staat, maar wij maken het nu zelf mee.


Camera-obscura-effect in Bübingen

Inmiddels wordt het tijd om te beslissen waar we de totaliteit gaan beleven. We kiezen voor een bedrijfsparkeerterrein achter de tramhalte Bübingen, met vrij uitzicht naar het westen, waar de maanschaduw vandaan komt. We stellen ons op in het gras aan de kant van de weg om straks in het pikkedonker niet overreden te worden. Van de zon is niet veel meer over dan een dun sikkeltje, en het wordt nu merkbaar schemerig. Toch is het nog tien minuten tot de totaliteit. Enkele minuten voor het zover is, trekt de lucht helemaal dicht, en we zien de sikkelzon niet meer. De schemering verdicht zich. Vlak voor de totaliteit dringt het tot ons door dat de natuur een wel héél bijzondere verrassing voor ons in petto heeft: we zien een lichtflits en horen een donderklap. Nee, het zal toch niet waar zijn? Het onweert, één minuut voor totaliteit! Vlak daarna valt binnen enkele seconden alle licht weg, alsof iemand de zon snel met een dimmer uitdraait. Pats! Het is ineens aardedonker, zo donker als 's nachts. Alleen aan de verre horizon is aan alle kanten en zwak roodachtig schijnsel zichtbaar, afkomstig van de gebieden 50 km verderop, waar de verduistering niet totaal is. Tegelijkertijd begint het te plenzen van de regen, en we zetten het op een rennen om beschutting te zoeken, die we vinden onder een afdakje bij de firma Eppers. Aardedonker is het. Ik kan me levendig voorstellen dat men vroeger bij een zonsverduistering dacht dat de wereld verging. Zelfs als je wél weet wat er aan de hand is, is het nog angstaanjagend. Je wordt je, hoe clichématig dit ook klinkt, bewust van je eigen nietigheid.

Onder het afdakje van Eppers staan we er wat verwezen bij. Om ons heen staan de werknemers van het bedrijf. Wij hebben honderden kilometers moeten reizen om dit mee te maken, zij hoeven alleen maar even hun kantoor uit te lopen. Ze lijken absoluut niet te beseffen hoe bijzonder dat is.

Dan is de totaliteit voorbij. Het lijkt ineens weer volkomen licht (ook dat is ons voorzegd, en het klopt). Even heb ik het gevoel alsof ik een klap op mijn hoofd heb gehad. Was dit het dan? We hebben flink wat gezien, en die diepe duisternis midden op de dag was ook een indrukwekkende belevenis, maar we hebben ook veel gemist: geen scherpe maanschaduw die naderbij kwam razen, geen parelsnoereffect, geen corona, geen protuberansen, geen Venus en Mercurius. Ik voel me wat huilerig. Maar dan raken we aan de praat over wat we beleefd hebben, en ik besef dat we ook een heleboel dingen wél hebben gezien. En ik voel, eindelijk, enige opluchting en dankbaarheid.

Het is voorbij

In een soort trance lopen we terug naar de tramhalte. We stappen in om helemaal naar het in Frankrijk gelegen eindpunt te rijden, en weer terug. In Sarreguemines kijk ik even op mijn mobiele telefoon, maar hij pakt geen Franse steunzender; het schermpje blijft de naam van de Duitse provider E-plus aangeven.

De regen is opgehouden, maar het blijft verder bewolkt. Van de gehele eindfase van de verduistering zullen we niets meer zien. In de buurt van het hoofdstation van Saarbrücken halen we nog even een vette bek, en dan stappen we op de trein terug naar het goede oude Trier. Tegenover mij zit een meisje dat iets in het Nederlands zegt als ik Frans een vraag stel, en we raken aan de praat. Pas na een tijdje kom ik erachter dat ze uit Trier komt. Ze spreekt Nederlands omdat ze een Vlaamse vriend heeft gehad. Die is inmiddels allang uit beeld, maar ze vond de taal zo leuk dat ze een cursus is gaan volgen. Ik complimenteer haar: ik had niet gehoord dat ze geen native speaker is. Als we vertellen over onze eclipservaringen, vraagt ze of het 'de' of 'het' onweersbui is.

Rond halfvier laat de zon zich ineens weer zien. Het meisje maakt een woedend gebaar naar de zon, dat van een internationale welsprekendheid is. Iedereen in de coupé schiet in de lach.

De herinnering rest

De volgende dagen is het wisselend bewolkt, en soms, als de zon stralend aan de hemel staat, betrap ik mezelf erop dat ik ineens tranen in mijn ogen heb. Zelfs als we op vrijdag de dertiende in Wuppertal in de zweeftram zitten, dwalen mijn gedachten regelmatig af naar dat bedrijfsterrein in Bübingen waar het zo plotseling aardedonker werd en waar we beschutting zochten onder het afdakje van Eppers. Een totale zonsverduistering begeleid door een onweersbui... dát zal ik wel geen tweede keer meemaken.


Wim Scherpenisse
augustus 1999

Zie ook Weer (g)een eclips.



Copyright © 1999 Wim Scherpenisse <info@wimscherpenisse.nl>
Terug naar de pagina 'Artikelen'