How are you today?

Een week in de stad die nooit slaapt

In september 1999 ga ik met mijn vriendin Mary een week naar New York, de 'stad die nooit slaapt'. Zaterdag 18 september gaan we naar Heemstede om een nachtje te logeren bij Mary's zus Nel en haar man Mart. Ons vliegtuig vertrekt zondagochtend om halftwaalf en we moeten om halftien aanwezig zijn. Mart en Nel brengen ons met de auto naar Schiphol. De tocht over de verlaten zondagochtend-snelwegen verloopt voorspoedig. Op Schiphol blijkt er door een misverstand alleen voor Mary een stoel te zijn gereserveerd; gelukkig kunnen er nog plaatsen worden geruild, zodat we toch naast elkaar kunnen zitten.

In het vliegtuig moeten allerlei papieren worden ingevuld voor de Amerikaanse douane; straks op JFK moeten die weer worden ingeleverd. Wij vullen naar waarheid in dat we noch tienduizend dollar in contanten, noch drugs bij ons hebben en dat we de afgelopen weken niet op een boerderij hebben vertoefd. De reis verloopt verder vlekkeloos, en de landing op JFK is perfect. We voelen haast niet dat de wielen de grond raken.

In New York!

De douanière die mijn formulieren inspecteert, valt over het feit dat ik als naam 'Wim' heb ingevuld terwijl ik volgens mijn paspoort 'Willem' heet. Ik word teruggestuurd, en pas als ik keurig 'Willem' heb ingevuld, wordt de felbegeerde green card in mijn paspoort geniet en mag ik het land van de onbegrensde mogelijkheden binnen. Mary is aanzienlijk vlotter langs een andere douanier gekomen (wat wil je, met haar naam), en staat me al op te wachten.

Bij de uitgang worden we onderschept door een zwarte taxi-hosselaar, die meedeelt dat hij ons voor dezelfde prijs als de shuttle-bus ($15 per persoon) naar Midtown Manhattan wil rijden. Zelfde prijs? Vooruit dan maar. We delen een supertaxi met vier uitgebluste Duitsers, die de hele rit bijna geen woord zeggen (ze hebben er een veel langere reis op zitten dan wij). Wij kwebbelen opgewekt met elkaar. Via de Queensboro Bridge rijden we Manhattan binnen. Al vanaf de Queens-oever zien we, links voor ons, het Empire State Building oprijzen. Joepie, we zijn in New York!

We checken in in het Milford Plaza Hotel, een imposant gebouw met duizenden kamers, waar we kamer 2828 krijgen toegewezen. Nou, dat is tenminste makkelijk te onthouden. Het klinkt trouwens hoger dan het is, want de Amerikanen noemen de begane grond al meteen de first floor en slaan bij het nummeren de 13 over; we zitten dus feitelijk op de 26e verdieping. De deur wordt geopend met een soort creditcard, die je snel in een gleuf moet steken en er dan meteen weer uit trekken. Als alles goed is, gaat er dan een groen lampje knipperen, en dan moet je binnen drie seconden de deur openen. In de loop van de week zullen we het openen van de deur vervolmaken tot een ware komische act. Op de kamer (bad, douche, wc, tv, airconditioning) komen we even tot onszelf na de reis. Het is hier vier uur, maar voor onze biologische klok is het tien uur 's avonds.

Na een poosje gaan we wat rondwandelen in de buurt rond Times Square, waar ons hotel staat. Op een terrasje tegenover het Marriott Hotel in 45th Street drinken we wat; als de rekening komt, verbleken we. Wat we hier kwijt zijn voor een flesje bier en een glas witte wijn, daar kun je bij ons een nacht in een pension van betalen. We vluchten weg en proberen in het Marriott Hotel zo hoog mogelijk te komen. Helemaal boven blijkt echter geen uitkijkplaats te zijn. Er is er wel een, maar daarvoor moet je eerst weer naar beneden en dan met een speciale lift naar het restaurant, en daar staat een enorme rij voor. Bovendien zul je dan ook wel iets moeten gebruiken, en we hebben nu geen zin in uitgebreid tafelen (we zijn op dit moment nog onwetend van het feit dat uitgebreid tafelen in New York helemaal niet kán).

Aan Seventh Avenue vinden we een speelhal die Too Much Is Not Enough heet, en waar je ook op het Internet kunt. Ik zoek contact met HotMaiL, maar het systeem blijkt potdorie net op dit moment uit de lucht te zijn, zodat ik geen mail kan sturen aan mijn nichtje en haar man, die onze 'thuisblijvers' zijn. Later maar weer proberen.

We eten een pizzapunt in een eettentje dat La Famiglia heet en ook werkelijk door een hele Italiaanse familie wordt gedreven. Voorlopig zijn we hoofdzakelijk sprakeloos van al het 'groot, veel en druk' dat we zien. De genummerde straten zijn perfect; het wandelen door dit overzichtelijke stratenplan went snel, en de nummering heeft het onmiskenbare voordeel dat verdwalen zo goed als uitgesloten is en dat je de snelste weg tussen twee punten kunt bepalen zonder de kaart te raadplegen. Het rondlopen hier heeft ook iets zeer vertrouwds; of dat komt doordat er toch meer overeenkomsten dan verschillen zijn met de Europese steden die we kennen of doordat het New Yorkse straatbeeld zo bekend is van films en foto's, weten we niet. Feit is dat je je spoedig aanpast. Binnen een dag trekken ook wij ons nauwelijks meer iets aan van de voetgangersstoplichten die trouwhartig WALK of DON'T WALK melden. We steken gewoon over, als het kan.

De Wall Street shuffle

We gaan vroeg -- voor ons laat -- slapen en zijn maandagochtend alweer voor dag en dauw wakker. We besluiten om als eerste naar Zuid-Manhattan te gaan en het financiële district te bekijken. Na een snel ontbijt in een koffieshop lopen we naar Times Square en nemen de metro naar Wall Street.

Reizen met de metro in New York heeft iets van een bezoek aan een sauna. Op de ondergrondse stations is het hels heet, zo heet dat je wel wilt janken van ellende; stap je eenmaal in de trein, dan is het heerlijk koel doordat alle rijtuigen airconditioning hebben. We kopen een MetroCard, een weekabonnement. Het is een soort creditcard die je door een gleuf bij de draaihekjes (turnstiles) moet halen. Als het goed is, verschijnt er dan op een schermpje: GO. Zo niet, dan staat er: PLEASE SWIPE AGAIN. Je kunt met een MetroCard binnen een tijdsbestek van 18 minuten maar één keer hetzelfde station betreden (uiteraard om te voorkomen dat meerdere personen binnenkomen met één kaart, die ze elkaar over de hekjes heen aanreiken). Als de kaart het niet doet moet je dus beslist niet naar een ander draaihekje lopen, want dan word je afgestraft met JUST USED en mag je er niet in. Je moet het net zo lang bij hetzelfde hekje blijven proberen tot je GO krijgt. Erg vervelend is als de een al binnen is en het de ander niet lukt, wat ons een paar maal overkomt; degene die binnen is moet er dan weer uit en mag er dan ook 18 minuten lang niet meer in. Dus: ofwel 18 minuten wachten, ofwel lopend naar een ander station! Zonde van de tijd, die hier voor ons letterlijk kostbaar is. Gelukkig liggen de stations in Downtown heel dicht bij elkaar.

Er zijn, voorzover ik heb kunnen nagaan, drie soorten metrotreinen: de local trains, die op alle station stoppen; de express trains, snelmetro's die alleen stoppen op de grotere stations zoals Times Square; en dan zijn er op sommige lijngedeelten nog skip-stops, die om het andere station stoppen; twee van zulke skip-stops samen bedienen dus alle stations (vergelijkbaar met liften voor even/oneven verdiepingen in sommige hoge gebouwen).

Als eerste bekijken we de beurs, de NYSE (New York Stock Exchange), in de wandeling 'Wall Street' genoemd, ook al ligt de hoofdingang aan Broad Street (nummer 20). Er is een kleine tentoonstelling over de ins en outs van de financiële wereld, en vanaf een galerij kun je het gewriemel op de beursvloer gadeslaan. Een wirwar van beeldschermen en toetsenborden, snel voorbijlopende koersen op de ticker tapes, handelaren die nerveus heen en weer lopen. De grond ligt bezaaid met papiertjes. Leuk om dit nu eens in het echt te zien; ik probeer nog even de 'Wall Street shuffle' te dansen, maar na een dreigende blik van een gewapende suppoost sluip ik snel weg.

We vervolgen met een wandeling langs de East River en over de Brooklyn Bridge, vanwaar je een magnifiek uitzicht op Downtown Manhattan hebt, dat wordt gedomineerd door de twee torens van het World Trade Center (de 'Twin Towers'). Als volgende lopen we daarnaartoe en beklimmen toren nummer 2, die een dakterras heeft dat is opengesteld voor het publiek. Honderdtiende verdieping, hoogte zo'n 420 meter. Als je hier naar beneden springt, heb je achteneenhalve seconde de tijd om daar spijt van te krijgen. Een gedachte die vast nooit bij Amerikanen opkomt, want die denken altijd positief (toch?).


De 'Twin Towers'

We genieten geruime tijd van het prachtige panorama. Tussen alle wolkenkrabbers van Zuid-Manhattan ligt de Trinity Church erbij als een zielig hoopje gebouw. In menige plaats zou die fiere kerktoren een oriëntatiepunt zijn, hier wordt hij volledig overschaduwd door gebouwen eromheen die vele malen hoger zijn. Je moet de toren zoeken als een speld in een hooiberg.

We wandelen nog wat rond en gaan dan per metro terug naar het hotel. Het Internetcafé blijkt overvol en we hebben geen zin om te wachten. Later nog maar eens proberen. We puffen wat uit op onze hotelkamer en gaan om ongeveer halfacht weer terug. Nu is er ruimte, en HoTMaiL is ook weer in de lucht, dus eindelijk kan ik een mailtje sturen naar mijn nichtje in Maassluis. Zij kan mijn ouders bellen met de mededeling dat we veilig zijn aangekomen. Ik besef dat het in Nederland halftwee 's nachts is en dat nichtjelief dus allang in dromenland is; ze zal mijn mail waarschijnlijk pas dinsdagavond lezen.

Een laars bier en een laars wijn

We gaan op zoek naar een restaurant en komen uiteindelijk terecht bij Beefsteak Charlie op Eighth Avenue. Het wordt een vervreemdende ervaring, een combinatie van kwaliteit en wansmaak. Het eten is uitstekend, maar van enig decorum is geen sprake. De drank wordt geserveerd in plastic vazen van circa een halve liter, die wij onmiddellijk 'laarzen' dopen. Ik krijg een laars bier en Mary een precies even grote laars witte wijn. We worden geacht deze vloeistoffen vanuit de plastic vazen in een soort grote bierglazen te schenken. Mary kan zich niet heugen ooit eerder witte wijn te hebben gedronken uit een bierpul. We zitten in een gigantische, ongezellige, felverlichte zaal op een soort brede kunstleren autobanken die betere dagen hebben gekend. We worden razendsnel bediend; we krijgen vrijwel direct het gevoel dat we geacht worden zo snel mogelijk weer op te krassen. De ober, wiens wieg ergens in Zuidoost-Azië heeft gestaan, praat volstrekt onverstaanbaar maar is een en al knipmessende voorkomendheid. Nadat mijn betaling (met creditcard) in dank is aanvaard, haasten we ons de straat op.

Dit is het moment om op te merken dat je je niet moet verkijken op de prijzen op de menu's die buiten hangen. Ten eerste zijn álle prijzen in Amerika ex BTW (in New York 8,25%), ten tweede komt er nog 15% bediening overheen, en bovendien zijn de drankjes per glas ongeveer even duur als de gerechten. Kost een hoofdgerecht dus circa twintig dollar, dan mag je blij zijn als je met zijn tweeën uiteindelijk minder dan honderd dollar kwijt bent. Die prijzen ex BTW zijn echt belachelijk en onhandig. Voorbeeld: je koopt ergens bij een stalletje twee kopjes koffie, die per stuk $2 kosten. Je betaalt dan $4,33 (tweemaal twee dollar plus 8,25%). Gevolg: veel vervelend kleingeld in de portemonnee, en (in het begin) altijd meer betalen dan je verwacht.

Na het eten wandelen we nog een stuk langs Eighth Avenue en kopen bij een 24-uur-supermarkt vruchtensap en bier. Daarna naar de hotelkamer om alle indrukken rustig te verwerken. Bij het zetten van de elektrische wekker moet ik er rekening mee houden dat de netfrequentie hier niet 50 maar 60 Hz bedraagt; het ding werkt weliswaar goed met de in Nederland voor het scheerapparaat gekochte 'wonderstekker', maar loopt dus wel 20% te snel. Als je hem bijvoorbeeld om 23.00 gelijk zet en je wilt om 8.00 op, dan moet je als wektijd 9.48 instellen (ga dit zelf na!). Een heel gereken, maar het werkt wel.

Uptown

Dinsdag de 21e gaan we de andere kant op: noordwaarts, of zoals ze hier zeggen: uptown. We gaan met de metro naar 72nd Street en lopen van Broadway oostwaarts richting Central Park. We passeren het flatgebouw Dakota aan Central Park West; hier is de beroemde duivelsscène uit Rosemary's Baby gefilmd, en hier werd John Lennon op 8 december 1979 voor de deur doodgeschoten. Het aangrenzende gedeelte van Central Park heet sindsdien Strawberry Fields, en er is een gedenkmozaiek voor Lennon dat 'Imagine' heet.

Dwars door Central Park lopen we naar het gebouw waar de Frick Collection is tentoongesteld. Die Frick was een rijke kunstverzamelaar die rond 1900 een aantal werken van oude Europese meesters heeft opgekocht (Rembrandt, Van Eijk, Hals, Hobbema, Corot). Ik bedenk dat het iets eigenaardigs heeft dat hij deze schilderijen uit Europa heeft gehaald en wij nu weer hiernaartoe zijn gekomen om ze te zien.

Daarna lopen we verder noordwaarts, pardon uptown, naar het Guggenheim-museum, waar we de permanente collectie (de Thannhauser Collection, moderne kunst) bewonderen. De rest is dicht. Later zullen we ontdekken dat veel musea gesloten zijn in het kader van een grootscheepse opknapbeurt; New York wil er in het jaar 2000 piekfijn uitzien. Het Guggenheim-museum zelf is qua architectuur bijzonder: een strak gedeelte links, en rechts een rotonde die eruitziet als een draaitol (of een koffiemolen, zoals sommige New Yorkers oneerbiedig zeggen). Het is gebouwd door Frank Lloyd Wright.

We nemen de metro naar het kruispunt 59th Street/Lexington Ave en wandelen een heel stuk langs Park Avenue (tussen Third en Fifth Avenue ligt niet Fourth Avenue, maar drie avenues die gewoon namen hebben: Lexington Avenue, Park Avenue en Madison Avenue). Park Avenue wordt wel de 'Champs Elysées van New York' genoemd, en we zien nu waarom; hier staat onder andere het imposante Waldorf Astoria Hotel (waar de waldorfsalade naar genoemd is). Het lopen hier voelt inmiddels vertrouwd, en het straatbeeld langs de brede avenues, met al die wolkenkrabbers op een rijtje, is echt magnifiek. Af en toe rijdt er zo'n typisch Amerikaanse, lange limousine met donkere ramen voorbij. Heerlijk om hier te zijn.

In de loop van de middag begint het steeds harder te regenen, en uiteindelijk vluchten we terug naar het hotel. Het regent pijpenstelen, maar dit zal onze enige regendag worden. De rest van de week is het mooi, zonnig of wisselend bewolkt, en 18 tot 25 graden -- of, zoals het weerbericht hier zegt, temperatures in the sixties and seventies. Nog meer hoofdrekenen. Ik zal deze week nog heel wat keren 32 aftrekken en daarna vermenigvuldigen met 5/9 om Fahrenheit om te rekenen in Celsius.

We gaan weer eten, ditmaal in een Thais restaurant. De ins en outs van de restaurant-etiquette hebben we nog steeds niet onder de knie. Het is hier een wonderlijk mengsel van beleefdheid en lompheid. Zo is het kennelijk normaal dat een ober of serveerster niet onthoudt wie wat had besteld, zelfs niet bij twee personen; dit zou bij ons beslist als slecht vakmanschap worden beschouwd. 'Where does the chicken breast go?' vragen ze dan bijvoorbeeld, en dan moet je zeggen: 'Over here please'. Verder wordt er over het algemeen een moordend tempo betracht; gezellig uitgebreid tafelen is er niet bij. De ober, of een hele trits obers, ligt voortdurend op de loer; zodra je iets op hebt, wordt het bord weggegrist en het volgende gebracht. Alles is erop gericht dat de tafel zo snel mogelijk weer vrij is.

's Avonds gaan we naar de musical Miss Saigon in het Broadway Theater (Broadway/53rd). Een imposant geheel; er wordt tegelijk gedanst, gezongen en geacteerd, en toch is alles perfect verstaanbaar. Het theater ziet er (van binnen) knus en 'kleinschalig' uit. We voelen ons er thuis.

Langs Miss Liberty

Woensdag de 22e gaan we weer met de metro naar Zuid-Manhattan voor een tochtje op en neer naar Staten Island, met de Ferry. Dit is een manier om het Vrijheidsbeeld van redelijk dichtbij te zien zonder urenlang in de rij te hoeven staan. Er staat een straffe wind op de voorplecht van de boot, maar we slagen erin elkaar te fotograferen met Miss Liberty op de achtergrond. Een hardnekkig gerucht wil dat de Franse beeldhouwer die haar maakte, haar gezicht naar dat van zijn moeder modelleerde maar haar lijf naar een van zijn favoriete prostituees. Mr. Freud, where are you?

Als we weer met beide benen op de bodem van Manhattan staan, begeven we ons per metro naar Washington Square voor een rondwandeling door de oude kunstenaarswijk Greenwhich Village. Met een verbaasde uitroep herken ik dit plein als een van de locaties van de film Searching for Bobby Fischer. De uit die film bekende straatschakers zitten hier in levenden lijve achter hun borden! Ik zet ze meteen op de foto. Geweldig, mijn dag kan niet meer stuk.

Tijdens de rondwandeling bekijken we onder andere Bleecker Street, en ik laat me de kans niet ontnemen om bij een naambordje op de foto te gaan. Tenslotte is Bleecker Street van Simon & Garfunkel een van mijn favoriete nummers. De huizen zijn hier oud en statig, het ziet eruit als in een oud Europees stadscentrum. Er staat ook een huis dat geheel uit misbaksels is opgetrokken (dat ziet Mary natuurlijk weer, als dochter van een steenhandelaar), en we zien het smalste huis van New York. Bij een cd-winkel kopen we een box met 4 cd's van Randy Newman, en zijn nieuwste cd. Cd's blijken te behoren tot de weinige zaken die hier goedkoper zijn dan bij ons.

We komen uiteindelijk weer terug op Washington Square, en wandelen vandaar een heel stuk langs Fifth Avenue. We passeren onder andere het prachtige, puntig toelopende Flatiron Building en het Empire State Building, dat we vanavond willen beklimmen. (Flatiron betekent natuurlijk gewoon 'strijkijzer', maar zowel Mary als ik hebben de onweerstaanbare neiging dit woord op z'n Frans uit te spreken als fla-ti-rô; het blijft duister waarom.) Via Broadway en Times Square lopen we naar het hotel terug.

Nachtelijk panorama bij bulderende wind

's Avonds eten we bij het Mexicaans-Amerikaanse restaurant El Torito, onder het Empire State. De eet- en serveergewoonten beginnen zowaar te wennen. De serveerster begroet ons met een stralende glimlach en de standaardfrase 'How are you today?', uitgesproken met een zware klemtoon op you, alsof het een langverbeide ontmoeting met een dierbare vriend betreft. Het heeft even geduurd voor we in de gaten hadden dat deze uitbundige begroeting hier normaal is en weinig meer betekent dan 'hallo', en dat je niet eens iets terug hoeft te zeggen. Ook bij het afscheid wordt een standaardzin uitgesproken: 'Have a nice day!' Ik kan het meestal niet laten om 'You too' te zeggen, al is dat niet de bedoeling, en dat wordt toch wel gewaardeerd. Het meisje dat ons hier uitgeleide doet, stráált tenminste als iemand ook haar eindelijk eens een fijne dag toewenst.

Na het eten beklimmen we het Empire State Building. Weer een fantastisch panorama, maar nu bij nacht! Schitterend, al die verlichte wolkenkrabbers. Het mooist is de top van het Chrysler Building in noordoostelijke richting. Zuidwestelijk rijzen de eveneens helder verlichte Twin Towers op; op een ervan staat een knipperende waarschuwingsmast voor helikopters en vliegtuigen. We krijgen haast niet genoeg van dit uitzicht, maar op een gegeven moment gaan we toch maar weer naar binnen, want we zijn tot op het bot verkleumd door de ijskoude noordwestenwind die om onze oren buldert en ons bijna van de voeten blaast. Voor één keer zijn we dankbaar voor de 'metro-hel': lekker opwarmen! Inmiddels zijn we wel helemaal kapot van al dat geloop van vandaag.

Langs 42nd Street

Donderdag de 23e beginnen we met een wandeling langs 42nd Street, van Times Square helemaal tot de East River. Hierbij passeren we onder andere het Grand Central Station, een prachtige spoorwegkathedraal met een enorme stationshal. We zwerven geruime tijd rond langs de ondergrondse winkeltjes en restaurantjes en kijken ook even in een boekwinkel die hier is gevestigd. De treinen zie je niet, die staan ergens diep onder de grond. Er zijn tientallen sporen.

Verderop kijken we nog even in de hal van het Chrysler Building, met schandalig veel glanzend marmer -- wat een pronkzucht! Helaas is deze toren niet te beklimmen. Een stukje verderop is het gebouw van de Ford Foundation, een kantoorgebouw dat wordt gedomineerd door een enorme, weelderige binnentuin. Er is een fontein die vol met muntjes ligt. Als ik lees dat het geld ten goede komt aan UNICEF, gooi ik er ook een paar quarters en dimes in.

Ten slotte bereiken we de gebouwen van de Verenigde Naties, die we voor zover mogelijk bezichtigen (er zijn op dit moment helaas geen rondleidingen). Daarna drinken we iets in de Coffee Shop, die natuurlijk 'Kofi Annan Shop' had moeten heten; wat een gemiste kans!

Harlem

's Middags begeven we ons naar Central Park, waar we even op het gras gaan zitten en wat drinken. Zaterdag zullen we dit enorme park uitgebreider bekijken; nu hebben we weinig tijd, want we moeten ons al om kwart voor zeven ter hoogte van 48th Street melden voor het vertrek van een Harlem Jazz Tour, een georganiseerde bustocht door Harlem met eten in een restaurant met soul food en een bezoek aan de legendarische Cotton Club. De (zwarte) gids heet Peggy, komt uit Alabama, woont nu in Manhattan en spreekt vloeiend Frans. Op mijn vraag hoeveel talen ze spreekt, antwoordt ze: 'Four and a half!' De halve taal blijkt Spaans te zijn, dat ze nu leert; ze raakt echter steeds in de war omdat ze al Frans en Italiaans kent. Een Australische vrouw merkt schertsend op dat zij drie talen spreekt: Australisch Engels, Brits Engels en Amerikaans Engels. Juist, zo kennen we de Engelstaligen weer!

Het soul food in restaurant Sylvia's is lekker, maar ook hier wordt er zo snel opgediend dat echt genieten van het eten er niet bij is. Daarna rijden we naar de Cotton Club, waar een nogal uitgeblust jazzbandje met een overjarige, stijfjes swingende negerzanger voornamelijk vergane glorie uitstraalt. Het is tegelijkertijd deprimerend en ontroerend. Alle buspassagiers blijven stokstijf op de bankjes zitten terwijl de band zijn best doet; dat kan Mary niet aanzien, en ze trekt me mee de dansvloer op. Dan durven een paar anderen ineens ook.

Na afloop nemen we een afzakkertje in een bar in 44th Street. Het nummer Total eclipse of the heart, dat hier op discotheeksterkte wordt afgespeeld, herinnert me heel even aan mijn vorige reis, die naar de zonsverduistering. Dat lijkt heel lang geleden en heel ver weg hier. De barjuffrouw heeft een kort rokje en een gewaagd topje aan en flirt openlijk met een gast die helemaal in de hoek van de bar zit. Deze sfeer staat ons niet zo aan, en we laten het bij twee drankjes.
Maar op de hotelkamer krijgen we geen rust en vrede. Het stel in de belendende kamer is bezig aan een liefdesspel dat met zo veel gekreun en gekerm gepaard gaat dat Mary verzucht: 'Als je niet wist wat het was, zou je toch een ambulance bellen!' Urenlang trachten de twee tot een onvergetelijke afsluiting van het seksuele samenzijn te komen, maar dat lukt pas rond halftwee. Het 'Oh my God!' van het meisje is zo duidelijk verstaanbaar alsof ze tussen ons in ligt. Dan keert de rust weer, en kunnen we eindelijk datgene doen waar we al heel lang naar verlangen: slapen.

Door Brooklyn met Arturo

Vrijdag besluiten we eensgezind dat we nu eens niet willen lopen maar ons rond zullen laten rijden. We kopen een op- en afstapkaart bij Apple Tours, een bedrijf dat met dubbeldekkers met open bovenverdieping rondritten maakt. Die open bovendverdieping is geen luxe, maar absolute noodzaak als je een beetje een indruk wilt krijgen van New York; vanuit een gewone bus zie je alleen het straatniveau en mis je dus bijna alles. Eerst rijden we van de hotelbuurt naar Downtown, vocaal begeleid door een opgewonden neger wiens spreekstijl meer aan een discjockey doet denken dan aan een toeristengids: 'And here we have our World Trade Center, where a few years ago we had our... bombing!' schreeuwt hij boven het denderende verkeer uit.

Bij South Ferry stappen we meteen over in een bus die een rondrit door Brooklyn gaat maken. Dit stadsdeel hebben we nog helemaal niet gezien. Onze gids heet Arturo, is zelf Brooklynite en maakt deze rit onvergetelijk voor ons. Hij weet en vertelt alles zonder blasé over te komen, speelt in op opmerkingen en grappen van deelnemers, en dat alles in een bloemrijk spreektaal-Amerikaans dat een genot is om naar te luisteren. Brooklyn blijkt een prachtige wijk, wat gewoner dan Manhattan, met minder superlatieven, maar zeer bezienswaardig. Er is een heel oud stuk dat integraal tot beschermd stadsgezicht is verklaard (dat kun je zien aan het feit dat de straatnaambordjes hier niet groen maar bruin zijn, doceert Arturo). Hier zou je heel prettig kunnen wonen, denk ik. Bij het uitstappen geef ik Arturo een fikse fooi en zeg dat we hebben genoten.

We pauzeren met een hotdog en een beker koffie in Battery Park, waarna we de metro naar Times Square nemen en daar op een derde rondrit stappen: door Harlem en langs Central Park. We hebben Harlem gisteren ook gezien, maar toen was het al donker. We passeren o.a. het Apollo Theater, waar zo veel soul-beroemdheden hun carrière begonnen, en de enorme St. John the Divine, met een lengte van 180 meter de grootste neogotische kerk ter wereld. De kerk is overigens onvoltooid en zal dat voorlopig blijven, want zojuist is het besluit gevallen het beschikbare geld geheel aan sociaal werk te besteden. Vanaf het bovendek van de bus zien we ook veel armoede en half verkrotte woningen, en overal groepen, vaak luidruchtige, zwarten op straat, wat de sfeer iets bedreigends geeft. We voelen ons beschaamd dat we door hun wijk rijden om ons te vergapen aan hun armoede, in onze belachelijke toeristenbus. Op de terugweg rijden we over Fifth Avenue langs de oostkant van Central Park; dit gedeelte wordt ook wel de 'Museum Mile' genoemd. Hier zijn o.a. Guggenheim, het Metropolitan Museum of Art en de Frick Collection. Aan Central Park South staat het imposante Plaza Hotel. Arm en puissant rijk leven hier wel heel vlak naast elkaar.

Times Square wordt sinds enkele dagen opnieuw geasfalteerd, en als we daar terugkeren is inmiddels de vrijdagmiddagspits in volle gang, met als gevolg dat de verkeerschaos compleet is. Alles staat muur- en muurvast, en de buschauffeur besluit ons ter plekke af te zetten omdat verder 'rijden' geen zin heeft.

's Avonds eten we bij John's Pizzeria in 44th Street. Van buiten ziet het er aardig uit, maar na binnenkomst blijkt dat het eigenlijke restaurant verder naar achteren ligt en een enorme, ongezellige, vaal verlichte fabriekshal vol kleine tafeltjes is, met een akoestiek die alle geluiden duizendvoudig versterkt, waardoor je elkaar nauwelijks kunt verstaan. Aan het tafeltje naast ons neemt een oudere man plaats, die een pizza zo groot als een wagenwiel bestelt. Hij krijgt zijn eten gelijk met ons; als wij vertrekken na een hoofdgerecht, een dessert en een kopje cappuccino, heeft hij het ding voor ongeveer twee derde op.

Op de hotelkamer is alles weer rustig. Het luidruchtige stel had kennelijk genoeg aan één nacht, en van nieuwe buren -- als die er zijn -- horen we niets.

Central Park

Zaterdag beginnen we met het kopen van souvenirs. Daarna begeven we ons naar Central Park. Ditmaal beginnen we aan de zuidkant en volgen een slingerende route noordwaarts (up-park?). We passeren de vijver, Wollmann Rink ('s winters een ijsbaan) en Rumsey Playfield. Bij de Conservatory treffen we tot onze verrassing een verhalenvertelster uit Brooklyn aan die vol vuur sprookjes vertelt aan een groep ademloze kinderen (en volwassenen). Het blijkt dat hier, bij het standbeeld van H.C. Andersen, de hele zomer elke zaterdagochtend verhalen worden verteld. Dit is de laatste aflevering. Daarna lopen we naar het standbeeld van Alice in Wonderland (& friends), waarvoor ik me laat fotograferen -- Alice is een van mijn lievelingsboeken. Langs the Ramble, Belvedere Castle en the Obelisk bereiken we the Reservoir. We lopen er helemaal omheen langs het voor joggers bestemde grindpad (bekend uit de film Marathon man met Dustin Hoffman). Daarna zijgen we neer op The Great Lawn en relaxen een poosje, onderwijl kijkend naar alle mensen die hier rennen, lopen, slenteren, zitten, lol trappen, knuffelen, balspelen, liggen of hangen.

We vangen veel gespreksflarden op. Als je twee vrouwen met elkaar hoort praten, gaat het negen van de tien keer over mannen. Twee jogsters bij the Reservoir in Central Park: 'You know, he came to see her on Sunday, and what I'm tryin'-a figure out is...' Weg zijn ze. Ik zou rond die paar woorden een hele film kunnen verzinnen.
Of een keer in de bus: '... he wants four children, but she already has two...'
In de metro: 'You know he's really rude, I mean, gimme a break... She's like... what, my best friend... This is really difficult for me...'
Ook heel mooi was een man op Eighth Avenue: 'He had a full CAT scan, and he's clean! Excuse me!...' (met deze laatste woorden ellebogen hij en zijn gesprekspartner zich een weg door de menigte en steken bij rood licht over).

Let's get our money back!

's Avonds lopen we naar de megabioscoop Sony Centre (Broadway/68th) om de film Guinevere te zien. Geen topper, maar een heel onderhoudend verhaal over een naïef meisje dat valt voor een veel oudere fotograaf (de Nederlandse recensenten zullen er straks vast geen goed woord voor over hebben). Het oordeel over de film wordt een beetje overschaduwd doordat de laatste tien minuten zonder geluid worden vertoond. Er wordt gefloten en geroepen: 'Rewind it!' -- 'Let's get our money back!' Als de film is afgelopen, bestormen de woedende toeschouwers en masse de kassa's. De eis: vrijkaartjes voor een volgende voorstelling! Ook ik ben zo woest dat ik enige vorm van genoegdoening voor deze filmus interruptus wens, maar Mary weet me ervan te overtuigen dat het voor ons geen zin heeft te wachten op de afloop: we gaan morgen al weg, en we willen nu ook nog ergens eten.

Dat eten is een onverwacht succes. Het lijkt er waarachtig op dat we eindelijk een leuk restaurant te pakken hebben: the Caprice Cafe, op de hoek Columbus Avenue/69th Street. Uitstekend eten, en een lekkere Californische Merlot erbij. Het is weliswaar nog duurder dan we inmiddels al gewend zijn, maar ach, wie daarop ziet is een kniesoor. Tevreden wandelen we terug naar ons hotel.

Wc-sam open u!

Zondagochtend checken we uit uit het hotel, zetten de bagage in een speciale bewaarruimte voor vertrekkende gasten en gaan ontbijten. Daarna nemen we de metro naar South Ferry en lopen nog anderhalf uur rond in het American Indian Museum. Wel mooi, maar de boodschap dat de Indianen niet primitief zijn en dat hun kunst en gebruiksvoorwerpen op zichzelf en niet in onze maar hun context dient te worden bezien, wordt er wel erg hard in geramd. De political correctness druipt ervanaf.

Daarna nog één keer een hotdog eten in Battery Park, en nog wat flaneren langs de zuidkant van Manhattan, met zicht op de haven, Governors Island, Liberty Island en Ellis Island (ik heb altijd gedacht dat die laatste twee één waren, dat het Vrijheidsbeeld dus op hetzelfde eilandje stond waar vroeger alle immigranten voet aan wal zetten).

Met de metro terug naar het hotel, waar we zullen worden opgepikt door een shuttle naar het vliegveld. Hier ontrolt zich nog een hoogst merkwaardige scène. Als ik naar de wc wil, ontdek ik dat de deur alleen open kan met zo'n sleutelkaart; maar wij hebben al uitgecheckt. Ik vraag bij de inlichtingenbalie of er toiletten zijn waar je zonder kaart in kunt, maar dat blijkt niet het geval. De man raadt mij aan om me bij de receptie te vervoegen voor een speciale wc-sleutelkaart (die heet zeker de Take-A-Leak Card, denk ik opstandig). Ik sluit aan achter een lange rij wachtende nieuw aangekomen gasten, maar het duurt zo lang dat de tijd begint te dringen: de shuttle komt zo! Een serene Brit lost het probleem ten slotte voor me op. Hij heeft zijn sleutelkaart nog, al werkt die officieel niet meer, maar na vijf keer proberen geeft de wc-deur zich zowaar gewonnen. Zelden heb ik me zo opgelucht gevoeld na een plasje. Ik bedank de Brit recht hartelijk; als we afscheid nemen, zegt hij niet: 'Have a nice day.' Een verademing.

We worden opgepikt door de shuttle, en daarna gaat het in slakkentempo over de verstopte snelwegen van Queens richting JFK.

Wim Scherpenisse
september 1999


Copyright © 1999 Wim Scherpenisse <info@wimscherpenisse.nl>
Terug naar de pagina 'Artikelen'